J.B. Jackson

Zo stelde sociaal geograaf J.B. Jackson (Davis, 2009) dat de waardering en evaluatie van het stedelijke landschap niet zozeer ruimtelijk-esthetisch moest gebeuren maar vooral vanuit de vraag in hoeverre een stad in staat is de dagelijkse behoeften (praktisch en sociaal) en hang naar comfort van haar inwoners te vervullen. Zelfs wanneer er wordt gesproken over de in de ogen van sommige mensen ‘banale’ en ‘lelijke’ landschappen (zoals een bungalowpark, stacaravancamping, parkeerplaatsen, infrastructuur, Vinexwijken), dan nog zegt zo’n plek iets over onze sociaal-maatschappelijke voorkeuren, tendensen en behoeften (aangeleerd of niet). Volgens Jackson is een ‘goed landschap’ een omgeving die de veelkleurige wensen en behoeften van haar gebruikers reflecteert en beantwoordt. En dus niet zozeer een sublieme compositie binnen het portfolio van de architectenelite.

Ook Jackson stelt dat het metropolitane landschap niet altijd de meest aantrekkelijke verschijningsvorm heeft. De Amerikaanse highways met hun malls en commercial strips zijn hiervan treffende voorbeelden. Maar hoe dan ook is verstedelijking en infrastructuur in de afgelopen decennia ook een symbool geworden van een cultuur en haar sterke verbintenis met technologie en comfort. Het metropolitane landschap is dus niet per definitie ‘erg’ of ‘gevaarlijk’, maar vooral iets wat we zelf zijn of denken te behoeven.