Falling into space

In het huidige metropolitane landschap heeft de tuin niet hoeven inboeten aan waarde en belangrijkheid. Wel lijkt de tuin steeds diverser en kent hij steeds meer verschillende gedaantes. De stereotype tuin zoals menig woordenboek het omschrijft (‘een stuk grond, meestal bij een huis, waar bloemen, planten en bomen groeien’) is dan ook een vrij smalle definitie. De vorm en grootte van de tuin varieert, maar de relatie tussen mens en natuur, en het ‘temmen’ van deze natuur in de gedaante van iets wat op een tuin lijkt, blijft sterk. Waarom vinden we een eigen ‘tuin’ zo belangrijk? Wat doet die tuin met ons?

Zoals eerder gezegd zou je de tuin kunnen definiëren als het windstille oog in de metropolitane orkaan. Het vormt een wereld in een wereld, en het maakt een duidelijk verschil tussen dat wat binnen is en dat wat buiten is. Binnen onze stedelijke leefomgeving verlangen we naar de nabijheid van de natuur. Verhagen (1945) beschrijft het poëtisch:

In huis beschermen we ons tegen de natuur en haar boze buien, in de tuin halen we haar juist binnen en trachten we haar vriendelijk te stemmen. (…) Het verkeren, echt verkeren in en met de natuur is een enig, absorberend genot.

Maar alleen het aanschouwen en ervaren lijkt niet altijd genoeg. Ook in de tuin tonen we onze landhonger en creatiedrang. Volgens Weststeijn (2005) verbeelden (westerse) tuinen het verlangen naar de natuur, die overmeesterd en onder controle is en vervolgens bewust wordt vormgegeven. De tuinier is een schepper en het werk, geduld en de moeite die aan de tuin gespendeerd worden, zijn zelden een last maar eerder een groot genot of een geestverruimende bezigheid. De tuinierder is in continue dialoog met de natuur. Het werken met levend materiaal, het orkestreren ervan, en het werken met de tijd en seizoenen lijkt iets wat ver af staat van de hectische metropolitane wereld. De natuur heeft zijn eigen wetten en grillen en is haast een hogere macht. De tuin biedt ons de mogelijkheid om hem op intense wijze te ervaren, binnen de veiligheid van ons eigen domein. Dat domein kan soms ook niet groot genoeg zijn. Wie tuinieren als een continu welbehagen ervaart, creëert steeds nieuwe verlangens. Verlost van door anderen opgelegde regels en wetten komt onze menselijke drang tot expansie, dresseren, temmen en vormgeven in de tuin tot maximale uiting. De tuin is daarmee dan ook strikt persoonlijk en heeft de grootste betekenis voor zijn maker, meer dan voor een willekeurige toeschouwer.